1. Zoek de drukgebieden
Een H geeft hoge druk aan, een L lage druk. Hoge druk gaat vaak samen met dalende lucht; lage druk kan opstijgende lucht en bewolking bevorderen. Dit zijn patronen, geen garantie voor het lokale weer.
2. Volg de isobaren
Isobaren verbinden plaatsen met dezelfde luchtdruk. Waar ze dicht bij elkaar liggen, is het drukverschil over een korte afstand groot. Dat gaat vaak samen met meer wind.
3. Bekijk de fronten
Een front is een overgang tussen luchtmassa’s. Een koufront kan buien brengen; een warmtefront vaak uitgebreidere bewolking en neerslag. Combineer de kaart met radar en de officiële verwachting.
Meer achtergrond: KNMI Kennis & uitleg en KMI Weerwoorden.

